Tijdens mijn stage van de afgelopen zes maanden bij een notariskantoor in Eindhoven, die onderdeel van mijn opleiding is, heb ik onderzoek gedaan naar het wetsvoorstel van de Werkgroep personenvennootschappen dat zij tijdens haar symposium in Amsterdam, twee jaar geleden, aan geïnteresseerden en belanghebbenden presenteerde. Middels een driedelige serie wil ik mijn onderzoeksresultaten delen. In dit tweede deel staat het vorige wetsvoorstel uit 2002 dat uiteindelijk toch weer is ingetrokken centraal.

Wetsvoorstel van 2002

Al reeds in de jaren ’50 bestond er de behoefte onder zowel ondernemers als binnen de juridische en fiscale praktijk om de Nederlandse personenvennootschappen te gaan moderniseren. Echter, pas in 1972 kwam de rechtsgeleerde, de heer W.C.L. van der Grinten, met een nieuw wetsvoorstel. Van der Grinten stelde in dat jaar een voorontwerp op ten behoeve van de modernisering. De wetgeving rondom de personenvennootschappen zou in een ander wetboek worden ondergebracht. De nieuwe locatie van de wetgeving zou na het wetsvoorstel te vinden zijn in titel 7.13 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Uiteindelijk heeft het tot eind 2002 geduurd voordat er een officieel wetsvoorstel zou komen. Op 24 december 2002 is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel personenvennootschappen ingediend ten behoeve van het verkrijgen van advies door de Raad van State als adviserend orgaan.

Totstandkoming van de vennootschap

De vennootschap komt tot stand middels een overeenkomst. Het gaat dan om een overeenkomst “de overeenkomst tot samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen, de vennoten, welke samenwerking is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten door middel van inbreng door ieder van de vennoten”. Er zijn twee hoofdsoorten die dit wetsvoorstel kent: de openbare vennootschap, die tot stand komt op voorschreven wijze, en de niet-openbare vennootschap, deze wordt ook wel aangeduid als de maatschap. Indien de bedoeling is dat de op te richten vennootschap kwalificeert als een openbare vennootschap, moet de vennootschap op een duidelijk kenbare wijze met haar naar buiten optreden. Aan deze openbare vennootschap kan, indien gewenst, rechtspersoonlijkheid worden toegekend.

Bestuur en vertegenwoordiging

Wat de vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft zal iedere besturende vennoot bevoegd zijn om in naam van de vennootschap te handelen voor zaken die als normaal worden beschouwd voor de verwezenlijking van het doel van de vennootschap, tenzij dit bij overeenkomst anders is overeengekomen. De besturende vennoten worden ook belast met het voeren van de administratie.

Aansprakelijkheid

De aansprakelijkheid van vennoten bij de stille vennootschap is hetzelfde als in het huidige recht, daarvoor geldt nog steeds evenredige aansprakelijkheid. Bij de openbare vennootschap met én zonder rechtspersoonlijkheid zijn de vennoten echter wel hoofdelijk verbonden aan de verbintenissen van de vennootschap.

Ook hetgeen is bepaald onder het huidige recht omtrent de aansprakelijkheid van commanditaire vennoten is in het wetsvoorstel uit 2002 hetzelfde. De commanditaire vennoot zal in beginsel niet verbonden zijn aan de verbintenissen van de vennootschap, tenzij hij in naam van de vennootschap handelt, of beslissende invloed uitoefent in de externe vertegenwoordiging van de besturende vennoten. Daarnaast hebben de vennoten de mogelijkheid tot disculpatie. Indien zij kunnen bewijzen dat zij niet verantwoordelijk zijn voor de tekortkoming, zijn zij niet hoofdelijk aansprakelijk.

Ontbinding

Binnen het wetsvoorstel uit 2002 kent men twee soorten ontbinding: de algehele ontbinding en de partiële ontbinding. De algehele ontbinding houdt in dat de gehele vennootschap wordt ontbonden. Bij partiële ontbinding wordt de vennootschap alleen ontbonden ten aanzien van de uittredende venno(o)t(en), de vennootschap wordt met de overblijvende venno(o)t(en) voortgezet. De mogelijkheid tot partiële ontbinding moet echter wel bij overeenkomst worden overeengekomen. Een bijzonderheid die alleen geldt voor de openbare vennootschap mét rechtspersoonlijkheid is dat deze ook op grond van faillissement kan worden ontbonden. Dit is mogelijk, omdat bij het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid een vennootschap immers zelfstandig drager van rechten en plichten is.

Vereffening

Ten aanzien van de vereffening worden na ontbinding van de vennootschap, dan wel maatschap als vereffenaars aangewezen de gewezen (besturende, indien een openbare vennootschap,) vennoten gezamenlijk. Dit kan bij overeenkomst ook anders worden geregeld, zo kan ook een derde worden aangewezen als vereffenaar. Tevens heeft de rechter heeft de mogelijkheid om wegens gewichtige redenen de vereffenaar(s) te ontslaan.

Verschillen met de huidige wetgeving

Er zijn diverse verschillen met de geldende wetgeving. Voor wat betreft totstandkoming is nieuw dat er slechts twee soorten vennootschappen zijn: de openbare vennootschap en de stille vennootschap, ook wel de maatschap genoemd. Ook kan vanaf nu rechtspersoonlijkheid worden toegekend aan de openbare vennootschap, dit is echter geen oprichtingsvereiste. Ook nieuw is de term “besturende vennoten”, voorheen werd namelijk gesproken van “beherende vennoten”. Daarnaast wordt de besturende vennoot wettelijk verplicht tot het voeren van een administratie.

Ondanks dat aan de openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid kan worden toegekend, blijven de vennoten, de commanditair vennoot uitgezonderd, hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen aangegaan in naam van de vennootschap. Wel wordt de besturende vennoten een disculpatiemogelijkheid toegekend, zodat zij zich kunnen ontdoen van aansprakelijkheid voor een aangegane verbintenis. Ook nieuw is de mogelijkheid tot partiële ontbinding. Onder het wetsvoorstel uit 2002 kan een vennoot uittreden en kunnen de andere vennoten de vennootschap voortzetten. Dit moet wel bij overeenkomst worden overeengekomen. Wat betreft de vereffening kan een rechter op grond van het wetsvoorstel nu ook een vereffenaar ontslaan.

Intrekking van het wetsvoorstel

Na lang gesleuteld te hebben, al sinds de jaren ’70, aan dit wetsvoorstel, kwam de heer I.W. Opstelten, destijds minister van Veiligheid en Justitie, op 5 september 2011 met het voornemen het wetsvoorstel, na alle gemaakte amendementen, in zijn geheel in te trekken. Op 15 december van datzelfde jaar werd uiteindelijk toch echt het wetsvoorstel ingetrokken. In zijn brief aan de Eerste Kamer gaf de heer Opstelten een minimale uitleg waarom dit wetsvoorstel is ingetrokken.

De bedoeling van dit wetsvoorstel was het voorzien in de behoefte van onder andere ondernemers, voornamelijk uit het midden- en kleinbedrijf, de wetgeving rondom de personenvennootschappen te moderniseren, omdat in veel zaken niet was voorzien. In zijn brief geeft de heer Opstelten aan dat, ondanks dat er veel tijd en moeite in het wetsvoorstel is gestoken, het wetsvoorstel niet voorziet in de behoefte bij ondernemers. Uiteindelijk bleek er geen behoefte te zijn aan het wetsvoorstel in deze vorm en de toekomstige gebruikers ervan vreesden de kosten die met dit nieuwe wetsvoorstel gepaard zouden gaan. Ook belangenorganisaties MKB Nederland en VNO-NCW ondersteunden deze zienswijze.