Kanonnier Hopmans

Mijn betovergrootvader Kees Hopmans was een echte militair, zo blijkt uit familieverhalen en uit zijn landweerpas. Misschien wel een beetje lui of snel verveeld… Kees werd geboren op 10 augustus 1888 als Cornelius Simon Johannes Hopmans in de wijk Korvel in Tilburg. In zijn vroege jaren verhuisde het hele gezin naar Halewijn in Frankrijk, wellicht dat pa drank smokkkelde, want ze woonden ook nog in de Oude Kerkstraat in Tilburg, een echte smokkelaarsbuurt. Hoe dan ook, niet iets waar Kees zich mee bezig zou houden, niet zijn passie om zijn lichaam vol met drank te gieten.

Het stoomschip SS Kawi in 1907.
Het stoomschip SS Kawi in 1907.

Op negentienjarige leeftijd ging Kees naar Breda om zichzelf als vrijwillger aan te melden als soldaat bij de Koloniale Troepen, ‘Zowel in als buiten Europa’, met een premie van 200 Gulden, per jaar waarschijnlijk. Hij werd ingeschreven voor de militie van de lichting van 1908 van de gemeente Tilburg, met nummer 287. Op 28 september 1907 was het al zo ver, hij ging in Rotterdam aan boord van het stoomschip “SS Kawi” waar hij na dik een maand op 2 november in Batavia aankwam. Aangekomen en wel werd hij geplaatst bij het 1ste Depot Bataljon. Nu kon zijn militaire loopbaan waar hij stiekem wel zin in had beginnen. Op naar het avontuur!

Stadsgezicht van Semarang met de Uitkijktoren.
Stadsgezicht van Semarang met de Uitkijktoren.

Alles leek voorspoedig te gaan en in 1907 werd hij overgeplaatst als kanonnier der 2de klasse bij de Vesting Artillerie. Op 10 maart 1908 zou hij ingelijfd worden bij de militie. Waarschijnlijk begon het hem de volgende jaren van dienst te vervelen, want hij begon zich te misdragen. Op 26 oktober 1910 werd Kees dan ingelijfd als fusillier bij het strafdetachement. Omdat zijn wangedrag bleef aanhouden, overeenkomstig artikel 16 van het reglement strafdetachement, zou hij met een ontslagbriefje uit het leger worden verwijderd. Hiervoor werd Kees op 3 april 1912 naar het Subsistentenkader in Semarang gebracht, waar hij zo’n vier dagen zou vervelen totdat hij de zevende april met het schip “SS Tabanan” huiswaarts zou keren.

Kees' staat van dienst in zijn zakboekje.
Kees’ staat van dienst in zijn zakboekje.

Op 10 mei 1912 kwam Kees in Rotterdam aan en werd hij naar het 1ste Regiment Vesting Artillerie gezonden omdat hij nog dienstplichtig was. Hij werd daar als vrijwilliger aangenomen met de positie van milicien-kanonnier. Op 13 december 1913 ging hij met groot verlof, maar Kees’ dienstplicht was nog niet voldaan. Nee, hij zou zeker nog aan de slag moeten, de Nederlandse Krijgsmacht was niet mild en dat hij zich misdroeg werkte ook niet echt positief. Misschien is het zo geweest dat hij de tijd waarin hij zich misdroeg moet inhalen, of misschien wordt niets meegerekend voor het in mindering brengen van zijn dienstplichtduur. Was hij maar niet zo lastig geweest…

Kees en zijn vrouw Anna rond 1920.
Kees en zijn vrouw Anna rond 1920.

Daarom ging Kees op 1 augustus 1916 voor dienstplicht bij de Nederlandse landweer, vergelijkbaar met de landmacht tegenwoordig. Van de landweer ging hij over op het 1ste Regiment 2de Bataillon 4e Compagnie Landweer. Hij zat in het district van ‘s-Hertogenbosch. Hij zou als dienstplichtige kanonnier gaan dienen in het 1ste Regiment Vesting Artillerie. Op dit moment woonde Kees al samen met zijn echtgenote Anna Govers, zij hield het huishouden in de Reitschestraat 15 in Tilburg bij, het huishouden dat inmiddels al uit twee kinderen bestond, dochters Koos en Anna. Wanneer Kees een tijdje thuis was en niet bezig was met zijn legerdienst, dan zagen ze natuurlijk hun kans schoon, dochter Mien arriveerde namelijk in 1917 alweer.

Een Nederlandse Mannlicher 1895 Karabijn zonder bajonet.
Een Nederlandse Mannlicher 1895 Karabijn zonder bajonet.

Bij zijn in dienst stelling werden hem een aantal spullen ter gebruik gegeven, waaronder: een Karabijn M. 95 met bajonetschede en geweerriem, een koppel met slot en een patroontas. Hij nam drie maal zijn spullen mee, de eerste keer in 1916 voor intreding bij de landweer, de tweede keer in 1918 voor onderzoek en de derde keer in 1919 leverde hij alles in bij de heer Toussaint. Helaas moest hij ook zijn tuniek inleveren, anders was dat een mooi familiestuk geweest. Wat er met zijn overjas is gebeurd, weet niemand, deze heeft hij niet ingeleverd.

Tot zo ver het verhaal van mijn betovergrootvader, die wel meerdere kanten van zichzelf liet zien. Hij moest zich letterlijk en figuurlijk in het zweet werken, want dat zonnetje in Nederlands-Indië brandde flink, maar goed, hij kreeg wel die mooie doekoe van 200 Gulden per jaar. Helaas werd ie maar achtenvijftig, hij overleed op 28 november 1946. Moge zijn ziel rusten hier in Tilburg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *